vrijdag 9 maart 2018

Elke dag vrouwendag #IWD18



Ik ben een dag te laat. Ik had gisteren iets willen posten, maar besloot wijselijk om me niet te laten opjagen door een arbitraire datum. Stress omdat het vrouwendag is… dat kan niet de bedoeling zijn van vrouwendag. En bovendien, als voor mijn gynaecoloog (bij wie ik gisteren op controle moest) geldt dat elke dag vrouwendag is, dan toch zeker ook voor mij.

De arbitraire datum toch ernstig nemend (is hij trouwens arbitrair gekozen, of weet iemand waarom precies 8 maart Internationale vrouwendag is? Ik heb me laten vertellen dat 11 november de Belgische vrouwendag is omdat op die dag toevallig Simone de Beauvoir tijd had om een lezing te komen geven in Brussel) heb ik deze week nog een keer een feministisch boek gelezen. De titel van het boek is voor non-native speakers (althans voor deze non-native speaker) niet meteen helder. Een boek dat “Down girl” heet zou naar mijn taalgevoel ook over disability en gender kunnen gaan, maar de associatie die je erbij hoort te hebben is die van “Down Max!” wanneer je een hond commandeert. De auteur is feministisch filosofe Kate Manne, die gek genoeg de familienaam van haar man overgenomen heeft, maar daar zou ik haar mening eerst over moeten horen vooraleer er commentaar op te geven. 

Het boek gaat over misogynie. En over wat dat woord betekent, en hoe het nog steeds een bestaande problematische praktijk aanduidt als we het woord tenminste op een nuttige manier interpreteren.  Want misogynie moeten we niet letterlijk opvatten als de haat die iemand voelt ten aanzien van vrouwen als vrouwen. Immers, vrouwen kunnen misogien zijn, zonder daarom zichzelf te haten. En weinig mannen zijn over de hele lijn en in die letterlijke zin van het woord vrouwenhaters. Bijna alle mannen houden wel van een vrouw, al was het hun moeder of dochter. Maar dat feit sluit niet uit dat ze toch misogien kunnen zijn. Die mogelijkheid wordt perfect bewezen door de niet-grappig bedoelde maar zo pijnlijk grappige uitspraak van een Amerikaanse vrouw op televisie die  uitlegt waarom ze, als vrouw, toch voor Donald Trump stemt: “Als hij echt vrouwen haat, waarom is hij er dan met drie getrouwd?”… Daar had de interviewer niet meteen van terug. Hoe uitleggen aan iemand die deze uitspraak doet, dat het tweede deel van haar zin evengoed het eerste deel zou kunnen bevestigen in plaats van ontkennen?

Manne vermeldt dit specifieke voorbeeld niet, maar aan de hand van vele andere voorbeelden uit de Amerikaanse actualiteit toont ze aan waar de denkfout zit, en hoe we die kunnen vermijden door misogynie niet op te vatten als een persoonlijke houding of gevoel maar als een maatschappelijke tendens van vrouwenonderdrukking. En die tendens zien we nog overal om ons heen grijpen, eenmaal we er leren oog voor te hebben. Misogynie uit zich in het opleggen en naleving controleren van bepaalde gender-gerelateerde rollen en normen. Zolang vrouwen zich bezighouden met zorgen voor, dienen van, bijdragen aan, steunen van anderen zal het beest misogynie zich niet roeren, en kan iedereen denken dat feminisme voorbij gestreefd is, dat Internationale Vrouwendag overbodige aandacht-trekkerij is, dat (westerse) vrouwen vandaag de dag toch volledig erkend worden in hun autonomie. Maar Hillary Clinton weet wel beter. En het duidelijkste Vlaamse voorbeeld van de voorbije jaren dat mij te binnen schiet is de passage van Linda De Win in De Slimste Mens. Hun autonome keuzes konden niet op respect van allen rekenen. Manne besteedt verschillende hoofdstukken aan de presidentsverkiezing van 2016, en ze toont overtuigend aan dat Clinton het niet enkel moest opnemen tegen bullebak Trump maar tegen een leger van al dan niet zelfbewuste soldaten van het patriarchaat. Clinton trad de klassieke rolverdeling met de voeten, en ze verlangde naar wat traditioneel mannen toebehoort: (presidentiële) macht. Daarvoor moest ze boeten.

Manne poneert de ietwat controversiële stelling dat Trump niet zozeer een seksist is, maar des te meer een misogynist. Het is net omdat hij Clintons capaciteiten niet onderschatte dat hij haar met alle mogelijke middelen wilde bestrijden, vernederen, ridiculiseren. Dat seksisme en misogynie als communicerende vaten werken, klinkt misschien paradoxaal maar is perfect begrijpelijk. We vinden het al lang niet meer ondenkbaar dat een vrouw kandideert voor het presidentschap van de USA, of voor de titel van slimste mens ter wereld  (we weten dat mannen en vrouwen even bekwaam zijn) maar net daardoor worden er situaties gecreëerd die vrouwenhaat oproepen, die het inbinden van vrouwelijke ambities noodzakelijk maken. En daarom is de strijd van het feminisme dus nog niet gestreden. Om de logica van Mannes boek dichter bij huis te brengen: dat vrouwen net zo goed als mannen professor kunnen zijn, is stilaan gemeengoed geworden (alhoewel de cijfers van de man-vrouwverdeling in het zelfstandig academisch personeel nog altijd de werking van bepaalde vooroordelen of implicit biases doen vermoeden). Studenten schrikken er niet van dat er een vrouw voorin de aula staat. Maar ze schrikken er wel van als die vrouw hen buist. En als straf krijgen deze vrouwen dan een slechte studentenevaluatie

Wijzen op de problemen die vrouwen nog steeds ondervinden moet natuurlijk niet omslaan in of geïnterpreteerd worden als zelfmedelijden. Precies 6 weken geleden werd onze dochter geboren. Ik heb geen spatje medelijden met haar, integendeel: vrouw zijn is geweldig. Alleen is het jammer, zelfs onrechtvaardig, wanneer de omgeving het ons niet toelaat om dat zo aan te voelen.


zaterdag 13 mei 2017

Mag een samenleving vrouwen die niet in staat worden geacht kinderen op te voeden verplichten tot anticonceptie?

De Gentse studentenvereniging Engage organiseerde op 4 mei 2017 een debatavond volgens het model van de ‘fictieve rechtszaak’ (een voorbeeld vind je hier). Zes ‘advocaten’ mochten pleiten voor of tegen de stelling “Een samenleving mag moeders die niet in staat worden geacht tot opvoeden, verplichten tot anticonceptie.” Ik pleitte contra, dit was mijn pleidooi:

Als ik de verklaringen (bijv. hier en hier) lees van Hugo de Jonge, de Rotterdamse wethouder die verplichte anticonceptie op tafel bracht in de herfst van 2016 en in navolging van wie ook Antwerpse OCMW-voorzitter Fons Duchateau een ballonnetje opliet, dan vallen mij twee inconsistenties op die  illustreren hoe onzuiver dit wetsvoorstel is. Zo probeert Hugo de Jonge begrip op te roepen voor zijn voorstel door te benadrukken dat hulpverleners constant geconfronteerd worden met schrijnende situaties van kinderverwaarlozing en erger. Maar, allicht om grote weerstand te temperen, meldt hij ook dat de verplichte anticonceptie slechts bij een minderheid van de probleemgevallen nodig zou zijn. 80 % neemt vrijwillig anticonceptie, zegt hij, per jaar zijn er 10 tot 20 vrouwen die niet meewerken en kinderen blijven krijgen die na de geboorte steeds moeten worden weggehaald. Maar, vraag ik me daarbij af, als de verplichte anticonceptie slechts bij 10 tot 20 vrouwen zou worden toegepast, zou dat dan de broodnodige oplossing zijn voor de constante confrontatie van hulpverleners met schrijnende situaties? 10 tot 20 gevallen is toch maar een fractie van ‘constant’? Een andere inconsistentie zit in de beschrijving van deze vrouwen als moeders die kinderen blijven krijgen die keer op keer worden weggehaald na de geboorte, terwijl de wethouder aandacht trekt op de frustrerende situatie waarin een omgeving machteloos moet toekijken hoe een kind verwaarloosd wordt. In de gevallen waarvoor de anticonceptie bedoeld is, kan er eigenlijk geen sprake zijn van kinderverwaarlozing want dit zijn extreme gevallen die reeds bekend zijn en waar kinderen meteen weg worden gehaald. Dat laatste op zich is natuurlijk ook een probleem – het plaatsen van kinderen in een pleeggezin is geen ideale situatie maar het is geen kinderverwaarlozing, integendeel het is een oplossing ervoor. Gevallen waar er wel sprake is van kinderverwaarlozing zijn vaak gevallen die nog niet bekend zijn bij de hulpverlening of de sociale diensten, maar waar er bijgevolg dus ook geen anticonceptie kan worden verplicht.

Zo komen we dus uit bij een eerste praktisch probleem: het wetsvoorstel dient pas zijn doel (minder verwaarloosde kinderen) wanneer de overheid weet heeft van kinderverwaarlozing in een gezin. Maar wanneer dat het geval is, is het eigenlijk al te laat want het eerste verwaarloosde kind is er al. Eenmaal een gezin bekend is bij de overheidsdiensten, worden de toekomstige kinderen nauwer in het oog gehouden worden en grijpt men in nog voor er sprake is van kinderverwaarlozing, en daarvoor heeft men geen nieuwe wet nodig.  Een tweede praktisch probleem dat vaak genoemd wordt en waar voorstanders nooit diep op ingaan omdat ze het afdoen als ‘praktisch detail’ is de afdwingbaarheid van de wet. Hoe ga je de verplichte anticonceptie uitvoeren? Ik las over een rechtszaak in Cleveland USA waar een man verboden werd nog kinderen te krijgen (hij had alimentatie-schulden bij 4 vrouwen  voor 4 kinderen) op straffe van een celstraf: maakte hij een vrouw zwanger zou hij een jaar in de gevangenis vliegen. Bij deze praktische uitvoering kan ik mij wel iets voorstellen, maar het wetsvoorstel van De Jonge gaat niet in die richting. In interviews hebben voorstanders het meestal over het gebruik van een spiraal. Maar hoe kan je een vrouw wettelijk verplichten tot het laten plaatsen van een spiraal?

Los van de praktische uitvoerbaarheid zijn er problemen van fundamentelere aard: juridisch en moreel. Hoewel ik geen jurist ben, en mij graag laat corrigeren, lijkt het mij dat een wet die anticonceptie verplicht ingaat tegen een aantal fundamentele rechten zoals het recht op privacy, op gezinsvorming en op onaantastbaarheid van het lichaam.  Het zou dus best kunnen dat dergelijke wet verworpen wordt door Europees Hof van de Rechten van de Mens. Maar los van die juridische (on)mogelijkheid van de wet denk ik dat het sowieso interessant is om er als samenleving over na te denken op basis van morele overwegingen. Ik zie het wetsvoorstel als een goede denkoefening voor ons allemaal waarbij ik het als mijn taak zie om denkfouten of zwakke argumenten te detecteren zodat we die alvast kunnen vermijden.

Zo hoor je voorstanders van het idee, zoals De Jonge, inbrengen dat niet enkel de fundamentele rechten van de ouders maar ook die van het kind meetellen, en dat het daarom niet zo simpel is om te zeggen dat verplichte anticonceptie niet mag omdat het fundamentele rechtsbeginselen schendt – het niet verplichten ervan zou dan weer andere rechtsbeginselen schenden, nl. die van het kind. Maar is dat wel zo? Het recht dat moet afgewogen worden tegen het recht op voortplanting en lichamelijke integriteit is het recht van het kind op een veilige en gezonde omgeving om in op te groeien. Maar je hebt schending van het ene recht niet nodig om het andere te garanderen. Immers, we kunnen er op een andere manier dan via verplichte anticonceptie voor zorgen dat kinderen de veilige en gezonder omgeving krijgen die ze verdienen, bijv. in een pleeggezin. Uiteraard is deze manier duurder dan het plaatsen van een spiraaltje, maar ik durf De Jong en Duchateau er niet van te verdenken dat ze zo cynisch zouden zijn om hun voorstel op financiële gronden te durven verdedigen. Een reden die ze wel zouden kunnen aanhalen is dat hulpverlening en sociale diensten niet feilloos zijn, en dat er nog altijd verwaarloosde kinderen onopgemerkt blijven. Maar als dat zo is, dan zullen ook hun verwaarlozende ouders onopgemerkt zijn en schiet het wetsvoorstel in deze gevallen dus niet ter hulp.

Ik heb vrienden die pleegouders zijn, ik overweeg zelf pleegouder te worden en tijdens info-avonden letten de mensen van Pleegzorg Vlaanderen er zeker goed op om de tragiek van deze kinderen en de realiteit van de problemen over te brengen. Ik denk helemaal niet lichtzinnig over het verschrikkelijke lot van sommige kinderen. En ik kan begrijpen wanneer de pleegouder vriendin van mij, nu ze de mentale problemen in haar tiener-pleegdochter ziet toenemen, zich afvraagt of de biologische ouders niet iets vreselijk onverantwoord hebben gedaan door een kind te krijgen. Ik kan het ook begrijpen wanneer ik de Nederlandse vrouw Frieda, kind van twee zwakbegaafde ouders, hoor getuigen dat haar ouders, rationeel gezien, geen kinderen hadden moeten krijgen. Zij heeft het als normaal begaafd kind heel moeilijk gehad thuis, en zegt dat ze totaal geen band heeft met haar ouders als ouders, dat ze nooit door hen is opgevoed. Tegelijk zegt ze ook, uiteraard, dat ze blij is dat ze er is, dat ze nu ze volwassen is een goede job heeft, een fijne relatie met haar eigen dochter, en liefde voelt voor de mensen die haar ouders zijn. Ik begrijp deze individuele reacties, en ik durf niets afdoen aan de persoonlijke overtuiging en het persoonlijke lijden dat achter deze getuigenissen schuilt – wie ben ik tenslotte om over die individuele gevallen ver van mijn bed te oordelen. Maar de stelling die hier voorligt, gaat niet over individuele gevallen, maar over een algemene maatregel waar we ons als samenleving moeten over uitlaten. En daarom is het belangrijk om een aantal onderscheiden goed in het hoofd te houden, zodat we weten waarover dit debat eigenlijk gaat:
Een eerste onderscheid is dat tussen
1) is het moreel verantwoord om kinderen te krijgen als je ze niet kan opvoeden?
En
2) is het moreel verantwoord dat een samenleving iemand zou verbieden om kinderen te krijgen?
Op die eerste vraag antwoord ik ‘nee’, maar daar volgt nog niets uit met betrekking tot vraag 2.

Nog een belangrijk onderscheid:
3) Kan ik me een situatie inbeelden waar het beter was geweest dat een kind niet geboren was?
4) Zou ik in een samenleving willen leven waar sommige vrouwen het recht op voortplanting ontnomen wordt door de staat?
Het antwoord op vraag 3 is allicht ja. Ik zeg allicht omdat er nog altijd het probleem is dat consistentie dan ook vereist dat we de consequenties van deze bevestiging omarmen en tegen dat kind in kwestie zeggen: het was beter geweest als jij er niet was geweest – en dat wringt toch een beetje. Maar afgezien daarvan (stel dat we de beide zaken scheiden: het kind erop aanspreken en de individuele situatie vanop afstand beoordelen) dan kunnen we ons een waaier aan individuele situaties inbeelden van kinderen die in extreme armoede geboren worden, die op tweejarige leeftijd plots in extreme armoede terechtkomen omwille van een oorlog, die nooit heel erg gelukkig zijn en eenmaal ze volwassen zijn eigenlijk constant ongelukkig zijn, die als ze volwassen zijn enorme misdaden begaan, ga zo maar door…Er zijn veel meer situaties dan die van kinderverwaarlozing waarvan je zou kunnen denken dat die aanleiding geven tot de gedachte: het was beter geweest als dat kind niet geboren was.
Hieruit volgt echter nog niets met betrekking tot vraag 4. Alleen al omdat in de meeste van deze gevallen niet op voorhand geweten is dat het het kind zo slecht zal vergaan – dat er oorlog zal uitbreken, dat ze misdadigers worden,  én dat ze verwaarloosd zullen worden – dat laatste is immers ook vaak onvoorspelbaar. Stel nu dat algemeen wordt aangenomen dat er een hele grote kans is op kinderverwaarlozing mocht er een kind in die specifieke situatie geboren worden – is dat dan een reden om het wetsvoorstel te aanvaarden?  Niet zolang er alternatieven zijn, lijkt mij, zoals begeleiding, preventie, sensibilisering, gratis maar niet verplichte anti-conceptie, counseling, pleegzorg enz… Die alternatieven zijn niet feilloos. Maar dat is anticonceptie trouwens ook niet, spiraaltjes kunnen breken. En wat doe je dan: de zwangere vrouw die niet tot opvoeden in staat wordt geacht verplichten tot abortus?  Hoe ver wil je als samenleving gaan?

Ik wil niet deel zijn van een samenleving waar kinderverwaarlozing onder de mat wordt geveegd. Ik wil heel graag dat er meer geld en middelen gaan naar preventie, gezinsondersteuning, pleegzorg, jeugdzorg en instellingen. Ik wil in een samenleving wonen waar eerst deze manieren worden ontplooid en uitgeput vooraleer er aan artsen gevraagd wordt om bij een vrouw die dat niet wil een spiraaltje te plaatsen. Dat het in haar eigen belang is, rechtvaardigt dit niet zolang we over een wilsbekwame vrouw spreken. (Wilsonbekwame vruchtbare vrouwen vind ik een apart verhaal – en ik denk niet dat De Jonge en Duchateau die doelgroep voor ogen hadden.)

Waar ik trouwens tot slot nog de aandacht op wil vestigen is de seksistische formulering van het wetsvoorstel. In de meeste debatten die je online vindt gaat het erover dat het een groot probleem is wanneer vrouwen die psychische problemen hebben, in de prostitutie zitten, dakloos zijn een kind krijgen. Ik vind het net zo’n groot probleem voor mannen wanneer ze een kind krijgen terwijl ze kampen met psychisch problemen of huisvestingsproblemen.  Als de reden voor deze focus op vrouwen praktisch is, namelijk dat er enkel voor vrouwen een haalbare en omkeerbare anticonceptie beschikbaar is, kan ik er nog enigszins inkomen – hoewel ik meteen wil opmerken dat er tegenwoordig werk wordt gemaakt van een gel die mannen tijdelijk onvruchtbaar maakt  en er geen reden is waarom we in dit hypothetische debat niet evengoed die hypothetische mogelijkheid kunnen vermelden. Maar ik vermoed eigenlijk dat de focus op vrouwen niet enkel praktisch gegrond is, maar uitgaat van een nog diep gewortelde mening dat kinderen krijgen en opvoeden een vrouwenzaak is. Daar wil ik me ten stelligste tegen verzetten – het is oneerlijk om vrouwen met die verantwoordelijkheid op te zadelen, het is oneerlijk om mannen die verantwoordelijkheid te ontnemen. Die stereotypische en seksistische benadering van het ouderschap kunnen we missen, en wordt helaas in dit debat, zoals het gevoerd wordt, bestendigd. Vooraleer iemand het biologische aspect van zwangerschap inbrengt, wil ik opmerken dat ik verslaafde moeders niet genoemd heb  - en dat epigenetica ons leert dat omgevingsfactoren waaraan mannen evengoed bijdragen door te roken bijv. ook een grote invloed hebben op de ontwikkeling van de foetus. Ik wil toegeven dat verslaafde moeders qua schadelijke impact op het kind erger zijn dan verslaafde vaders, omwille van de biologische kant van zwangerschap. Maar een vader met psychische problemen lijkt me even erg als een moeder met psychische problemen
Dus mijn antwoord luidt: nee, een samenleving mag moeders die ongeschikt tot opvoeden worden geacht niet verplichten tot anticonceptie via een wet, omdat er voor mij geen overtuigend antwoord is op de volgende drie vragen:
1 Wat willen we met die wet bereiken? Geen kinderverwaarlozing meer? Is dit werkelijk een goed middel daartoe? Of is het doel iets anders?
2 De schending van een fundamenteel recht is enkel gerechtvaardigd wanneer de inperking van die vrijheid de enige manier is om te verhinderen dat het recht van iemand anders wordt geschaad. Is dat in deze situaties het geval?

3 Waarom steeds die uitsluitende focus op moeders? Wat zit daarachter? En willen we dat bestendigen?

zaterdag 22 oktober 2016

Mag je 164 mensen doden om er 70 000 te redden?

Het Duitse programma "Terror- Ihr Urteil" (een rechtbankdrama waarin de kijkers bepalen welk vonnis er moet worden geveld over de fictieve majoor Lars Koch die besloot een door zelfmoordterroristen gekaapt vliegtuig uit de lucht te halen zodat het niet op een stadion met 70.000 voetbalsupporters zou vliegen) gaat veel meer over moraal dan over rechtspraak. Meer precies gaat het over een moreel dilemma: wat had de majoor moeten doen toen hij besefte wat de terroristen van plan waren? De echte vraag bij morele dilemma’s is eigenlijk of er wel een correct antwoord is. De film ‘Sophie’s choice’ (over de moeder in een concentratiekamp die verplicht werd te kiezen wie van haar twee kinderen naar de gaskamer moest) gaat ook over een dilemma. Zou iemand durven beweren dat er een correcte keuze is: moest Sophie haar zoontje opgeven om haar dochter te redden of moest ze haar dochter redden ten nadele van haar zoontje? Strikt genomen heeft ze nog een derde optie: geen keuze maken en ze allebei opgeven. Kan je je inbeelden dat hierover een poll wordt georganiseerd? “Welke keuze moet Sophie maken – stem nu!” Het is totaal grotesk om deze opties af te wegen op een morele schaal. Over Sophies keuze heeft moraal niets te zeggen. De moraal veroordeelt scherp diegene die Sophie voor dergelijke keuze zet.

Zo is ook duidelijk wie de echte morele verantwoordelijke is voor de dood van 164 dan wel 70 164 mensen in het morele dilemma waar majoor Koch voor komt te staan: de terroristen. De vraag van de programmamakers of de majoor schuldig is of niet, lijkt daarom een beetje op een valstrik. Is dat werkelijk de interessante vraag? Leert die ons iets over moraal?

Die laatste vraag zouden sommige mensen, ook filosofen, positief beantwoorden: het is volgens hen net in deze extreme situaties dat mensen de maskers laten vallen en hun fundamentele morele intuïties blootgeven. Maar daar ben ik het niet mee eens. Op basis van de uitslag van het Duitse TV-experiment (87 % stemt onschuldig) zouden we dan moeten besluiten dat de meeste mensen een consequentialistische ethiek aanhangen: de majoor heeft de moreel goede keuze gemaakt omdat 164 doden een minder slechte uitkomst is dan 70 164 doden.

Pas het voorbeeld een beetje aan: stel dat de majoor eerst een collega die hem tegenhield had moeten doden om tot bij de munitie te komen. Hadden mensen hem dan ook vrijgepleit van de beschuldiging van moord? Als de gunstige uitkomst van een handeling het enige morele criterium is, dan zou die ene extra dode er niet toe mogen doen in het licht van de 70 000 geredde mensen. Maar mijn vermoeden is dat deze feitelijke kleine aanpassing van het scenario tot grote verschillen in de morele beoordeling zou leiden. Dat vermoeden is gestoeld op reële experimenten in de morele psychologie die de Trolley Case Problems worden genoemd.

In Trolley Cases (een trolley is een tram) wordt aan de hand van gedachte-experimenten getest welke principes mensen hanteren om morele beslissingen te nemen. Stel dat je langs het spoor loopt en ziet dat er een onbestuurde tram in volle vaart afstevent op 5 arbeiders die vastzitten op het spoor. Je hebt echter de kans om met een hendel de tram te doen afwijken naar een ander spoor waar slechts 1 arbeider zit te werken. Als je niets doet sterven er 5 mensen, als je ingrijpt slechts 1. Wat moet je doen? Geheel in lijn met de uitslag van het TV-experiment “Terror-Ihr Urteil” oordelen de meeste proefpersonen (meestal rond de 80%) dat je de hendel moet overhalen. Maar dan passen de onderzoekers het scenario lichtjes aan en gebeurt er iets interessant. Stel, je wandelt op een voetgangersbrug over het spoor en je ziet dat een tram afstevent op 5 arbeiders op het spoor. Naast jou op de brug staat een hele grote man met een zware rugzak. Als je die man op het spoor gooit zal hij de tram afremmen en dat met zijn leven bekopen, maar zullen de 5 arbeiders wel gered worden. Wat blijkt nu: ongeveer 80 % van de proefpersonen oordeelt dat het niet geoorloofd is om de man van het spoor te gooien. In deze voorstelling van de feiten worden er met andere woorden niet consequentialistisch geredeneerd.

Over de interpretatie van deze data is uiteraard veel te doen in de moraalfilosofie. Volgens mij leren ze ons bovenal iets over de psychologische processen die achter een  morele beslissing zitten. Achter alles wat we doen of denken zit een psychologisch mechanisme, dus zo verwonderlijk is dat niet. Maar het wordt interessant wanneer blijkt dat onze psyche heel gevoelig is voor details, voor elementen in de omgeving die onbeduidend en vanuit rationeel of moreel oogpunt irrelevant zijn. Dat is ook wat we moeten onthouden uit het TV-programma: door de framing van het dilemma van de majoor wordt een consequentialistische benadering bij de toeschouwers uitgelokt. Maar het is nog maar de vraag of geloof in het consequentialisme als beste morele theorie wel echt de verklaring is van hun keuze. Als dat zo was, zouden ze immers ook in gelijkende gevallen consequentialistisch moeten oordelen maar dat doen de meeste mensen niet.

“Terror- Ihr Urteil” is een spel. En in die hoedanigheid stelt het de zaken veel te simplistisch voor: ofwel is de majoor schuldig ofwel niet. Er is geen tijd voor nuance, toelichting, een argument. Maar in zoverre dit spel de indruk wekt dat het ons iets zegt over wat moreel juiste beslissingen zijn, is het schadelijk. Dit experiment zegt ons niets over ethiek, hoogstens over psychologische processen die ons denken sturen en waar we meer zouden moeten van afweten. Dan zouden we ons niet laten misleiden door details die er moreel gezien niet toe doen, of door op kijkcijfers beluste programmamakers.


dinsdag 11 oktober 2016

Update van een oude blogpost

Ik kopieer de oude blogpost (24 april 2014) integraal hieronder, maar niet zonder eerst deze recente ontwikkeling in de actualiteit mee te delen:

http://www.demorgen.be/binnenland/assisenjury-spreekt-wesphael-vrij-ik-denk-in-de-eerste-plaats-aan-veronique-b4f01252/


Moeten we onze vrienden overschatten?

Liefde maakt blind, zegt men. De verliefde ziet de lach, niet de rimpels. Ouders zien de talenten in hun kinderen, niet de gebreken. Vrienden nemen het bij voorbaat voor elkaar op en kunnen moeilijk geloven dat hun vriend een wrede misdaad heeft begaan. Onder invloed van de liefde zijn mensen partijdig, is hun blik bevangen en hun oordeel gekleurd. Stendhal sprak in dit verband over kristallisatie. Met iemand die in andermans liefde baadt, gebeurt hetzelfde als met een takje in een zoutmijn: na een tijdje vormen er zich kristallen die de banale werkelijkheid aan het zicht onttrekken. De geliefde schittert als duizend zoutkristallen op een naakte tak. Liefde verhult.

Het is een ding te zeggen: onder invloed van de liefde zijn mensen partijdig en is hun oordeel gekleurd.  Het is iets anders om te beweren dat liefde geen echte liefde zou zijn wanneer ze het oordeelsvermogen niet corrumpeert. Het eerste is een psychologische observatie, het tweede is een normatieve stelling. Volgens de Australische filosoof Simon Keller vereist vriendschap dat we onze vrienden overschatten. In The Limits of Loyalty illustreert hij zijn punt met een scene uit  de Amerikaanse sitcom Friends, waarin Joey en Chandler samen naar Las Vegas rijden omdat Joey daar een rolletje mag spelen in een grote productie. Hij is erg opgewonden over het vooruitzicht. Om de tijd te doden spelen ze een vraag-antwoord-spel waarbij de opdracht is om zo snel en spontaan mogelijk te antwoorden. Bijv: met wie zou je liefst naar bed gaan, Monica of Rachel? Dan stelt Joey de vraag aan Chandler: denk je dat deze rol mijn doorbraak wordt? Zonder nadenken flapt Chandler eruit: nee. Joey is gekwetst, Chandler voelt zich een verrader. Hij probeert het goed te maken, maar wordt uit de auto gezet. Joey gaat alleen naar Vegas.

Keller vindt dat Joey terecht kwaad wordt, en dat Chandler zich terecht schuldig voelt. Doordat Chandler niet gelooft in hem, schiet hij tekort als vriend. Je kan je afvragen: wat moet Chandler dan doen? Liegen? Nee, het punt is, zegt Keller, dat Chandler niet enkel moet zeggen maar moet denken dat zijn vriend het gaat maken. Volgens Keller zitten deze intuïties in hoe we spontaan over vriendschap spreken: goede vrienden geloven in elkaar, ze zien elkaar in het best mogelijke licht. En dat betekent volgens Keller dat ze bepaalde feiten over het hoofd zien, en geen objectief of gebalanceerd oordeel kunnen vormen. Wie een goede vriend wil zijn, moet bereid zijn om epistemische standaarden te negeren. Of beter – de titel van Kellers boek wijst ten slotte op de limieten van loyauteit, niet op de limieten van epistemische integriteit – wie de waarheid wil kennen, kan maar beter niet altijd een goede vriend willen zijn.  Soms moet vriendschap het onderspit delven voor waarheid en redelijkheid, zo luidt het verdict van Keller.

Kellers beschrijving van de vereisten van vriendschap lijken me plausibel tot op zekere hoogte. Liefde, of vriendschap, nodigt inderdaad uit tot een andere benadering van de feiten, namelijk een benadering die gepaard gaat met nauwgezette aandacht, oprechte interesse, empathie en sympathie – wat conflicteert met de veel vaker geprezen en voorgeschreven houding van neutraliteit en afstandelijkheid.  Wanneer mensen praten over een objectieve blik, associëren ze dat met een afstandelijkheid, een ontdoen van persoonlijke sympathieën. Maar waarom eigenlijk zou afstandelijkheid objectiviteit blootleggen? Wat geldt als objectief wanneer het gaat om mensenkennis? Wie kent mij zoals ik echt ben? Toen ik kind was, mijn ouders. Nu, mijn echtgenoot. Ik denk dat vele mensen dat antwoord zouden geven. En dat is interessant, want het suggereert een verband tussen liefde en kennis. Het suggereert dat we helemaal niet hoeven te kiezen tussen vriendschap en waarheid.

Er bestaat een lange filosofische traditie die liefde in verband brengt met ‘zien wat er is’ in plaats van met verblinding. Volgens Plato leidt eros de grotbewoners in de richting van het licht. Iris Murdoch beschrijft liefde als een oefening in echt kijken (really looking). Martha Nussbaum argumenteert dat emoties cognitief zijn en dus een vehikel van kennis kunnen zijn, en dat ware liefde effectief ware kennis belichaamt. En er zijn natuurlijk middeleeuwse en christelijke denkers die goddelijke liefde en goddelijke kennis als een twee-eenheid zien. Het goede, het ware, het schone zijn één. In al deze denktradities geldt dat liefde onthult.

In kritiek op Keller en in lijn met genoemde tradities verdedigt de Amerikaanse filosoof Troy Jollimore in Love’s Vision de gedachte dat liefde geen obstakel voor maar een weg tot kennis kan zijn. Hij verdedigt het bestaan van ‘different epistemic practices’, waarmee hij bedoelt dat niet elke situatie zich het beste laat kennen vanop een onthecht, neutraal toeschouwersstandpunt. Sommige objecten, zoals kunstwerken, en mensen, laten zich enkel kennen in een geëngageerde en geïnteresseerde interactie. Is het niet fantastisch dat op zijn minst Theo van Gogh het werk van zijn broer goed vond en Vincent aanmoedigde te blijven schilderen? Is het niet belangrijk dat de dochter van Bernard Westphael gelooft in zijn onschuld? Vrienden interpreteren de feiten zo welwillend mogelijk, ze kijken ernaar ‘with a friendly eye’. En dit levert een epistemisch respectabel standpunt op. Al was het maar omdat vrienden zo een belangrijke sociale epistemische functie vervullen door weerstand te bieden aan massahysterie en beïnvloeding van de algemene opinievorming. De geschiedenis heeft uitgewezen dat Theo het bij het rechte eind had. De waarheid in de zaak Westphael is op dit moment nog ongekend. Maar wat ik wil benadrukken, is dat het feit dat iemand uit liefde gelooft in iemands onschuld, niet betekent dat zij of hij de waarheid negeert. Het tegendeel kan waar zijn. En daarom is een betrokken houding niet per se inferieur aan een afstandelijke, wantrouwige houding. Jollimore maakt zijn punt op een descriptief niveau. Hij schrijft dat liefde weliswaar in sommige individuele gevallen verblindt, maar dat het geen algemene waarheid over liefde is. In plaats van over regels en uitzonderingen te praten, zou ik het over de normatieve boeg willen gooien: over wat goede liefde doet, over wat liefde zou moeten zijn. Maar dit ideaal is niet compleet losgezongen van de realiteit. Ik ben er zeker van dat het merendeel van de mensen ergens wel iets ziet in de gedachte dat echte liefde naar kennis streeft en geen vrede neemt met zelfbedrog en luchtspiegelingen. We hoeven onze vrienden helemaal niet te overschatten om hen te waarderen.

Literatuur:
Jollimore, T. (2011) Love’s Vision (Princeton & Oxford: Princeton University Press)
Keller, S. (2007) The Limits of Loyalty (Cambridge : Cambridge University Press)

vrijdag 5 augustus 2016

Burgerschap en The Big Lebowski

‘The Big Lebowski’ is overleden. David Huddlestone speelde de rol van de echte Big Lebowski in de gelijknamige film van de Coen-brothers.  De hoofdrol  in de film was voor Jeff Bridges die per ongeluk wordt aangezien als the Big Lebowski door enkele op geld beluste misdadigers, met alle grappig-pijnlijke situaties vandien – o.a. een geruïneerd tapijtje “that really tied the room together”. Het is een fantastische film. Samen met Fargo allicht hun beste. Een onderstroom in beide films is de moeite die mensen hebben om grote van kleine dingen te onderscheiden, en hoe een bagatel (zoals een postzegelverzameling, of een mooi tapijtje) al hun aandacht kan opeisen terwijl buiten hun hoofden om geschiedenis wordt geschreven, mensen worden gedood, misdadigers worden gevat. Kan je het hen verwijten? Stellen niet al onze dagelijkse bezigheden in het licht der eeuwigheid niets voor?

Voor het boek Denkbeelden schreef Thomas Nys een interessant en leuk filosofisch artikel over burgerschap naar aanleiding van (onder andere) The Big Lebowski. Zoals hij uitlegt, lijdt het geen twijfel dat The Dude mijlenver af staat van het ideaal van burgerschap zoals Aristoteles dat voorstaat: bowlen is zowat de belangrijkste activiteit in het leven van deze goedzak, een leven dat verder vooral door een grote passiviteit gekenmerkt wordt. Maar The Dude doet geen vlieg kwaad, dus wat dan nog?

We kennen allemaal Dudes, we herkennen hem misschien bijwijlen ook in onszelf: rustig palaverend over niets, lurkend van een White Russian, drijvend van het ene lichamelijke plezier naar het andere. En zelfs al wordt  de ‘pushpin’ af en toe ingeruild voor een stukje ‘poetry’ (we gaan immers af en toe ook eens naar het theater of lezen een goed boek), het doel blijft: ons amuseren.

Je vraagt je af of dit vol te houden is in een tijd van terrorisme en radicalisering. Moeten we als brave burgers niets iets meer burgerzin gaan tonen en ons op een of andere actieve manier inzetten voor onze samenleving? Moeten we niet iets doen in plaats van aan de zijlijn toe te kijken? Kunnen we na het zoveelste nieuwsbericht van een aanslag of een racistisch incident de angst en de verontwaardiging weerom verdrijven met enkele uurtjes televisie-entertainment? Anderzijds: wat moeten we anders?  Hoe kunnen we beter opkomen voor onze manier van leven dan door ermee door te gaan? Maar de vraag is of onze manier van leven, met name onze bijdrage aan de samenleving die we voornamelijk invullen als consument eerder dan als burger, er een is die we moeten blijven bestendigen. Volstaat het om ‘geen kwaad te doen’? Moeten we niet eveneens ‘goed doen’?

Je zou hopen dat het vrijwilligerswerk, de samenlevingsopbouw, het verenigingsleven, het politiek activisme, de buurtwerking enz…herleeft als reactie op de angst en de terreur. Maar misschien is die hoop ijdel of zelfs misplaatst. Wie weet hebben de Coen-brothers het ook op een dieper niveau juist wanneer ze de boodschap uitdragen: The Dude abides.


dinsdag 31 mei 2016

Een gorilla, een kleuter en de morele totaalblik.


Michelle Greg, de moeder van de kleuter die in de gorillakooi terecht kwam, verdedigt zichzelf tegen de aantijging dat ze een slechte moeder zou zijn omdat ze een seconde niet goed had opgelet.  ‘Accidents can happen’ schrijft ze schrijft ze op haar Facebook en daar heeft ze gelijk in. Het is inderdaad veel te kort door de bocht om uit dit ene ongelukkige voorval af te leiden dat ze een slechte moeder is. Maar de tekst van haar Facebookbericht doet wel vermoeden dat ze in iets anders tekort schiet: in de morele totaalblik. Ze bedankt iedereen die haar en haar zoon geholpen hebben, en bovenal God die ze ‘awesome’ noemt. Daarmee strooit ze zout in de wonden van de dierenliefhebbers. Wat is er zo geweldig aan dat een gorilla is gestorven? Maar al die mensen (200 000 intussen al) die de petitie ondertekenden met de vraag om Gregg gerechtelijk te vervolgen voor de dood van de gorilla, ontberen ook een totaalblik wanneer ze focussen op dat ene aspect van de situatie en de complexiteit van de werkelijkheid negeren. Kan men zonder de situatie in detail te kennen, iemand verwijten dat ze nalatig is geweest?
Wat men Gregg, op basis van het Facebookbericht, wel kan verwijten is haar gebrek aan spijt dat een gorilla is moeten sterven omdat zij even niet goed had opgelet. In filosofisch jargon noemt men deze soort van spijt ‘agent regret’ (de term is van de Engelse moraalfilosoof Bernard Williams afkomstig). Het is het soort spijt dat men alleen kan voelen wanneer men in de positie staat van iemand die met zijn handelingen iets ergs tot stand heeft gebracht, ongewild weliswaar maar de schade ermee aangebracht is daarom niet minder erg. In het Facebookbericht lijkt Gregg niet te erkennen dat er kwaad is geschied ten gevolge van wat zij gedaan heeft, of in dit geval niet gedaan heeft. Geen mens (ik vermoed zelfs de dierenliefhebbers onder de 200 000 petitie-ondertekenaars niet) zou willen beweren dat een afweging van de belangen van gorilla en kleuter in het voordeel van de gorilla had moeten uitpakken, of dat een scenario waarin het kind sterft maar de gorilla blijft leven een moreel betere uitkomst zou zijn geweest. Maar waar dierenliefhebbers terecht op wijzen is dat ook als we het erover eens zijn dat de dierentuin-opzichters gekozen hebben voor een minder kwaad (a lesser evil), er niettemin kwaad is geschied. Zelfs wanneer iemand doet wat moreel gezien het beste is, kan er toch schade berokkend worden waar men rouwig om hoort te zijn.
Iemand zou kunnen opwerpen dat ik overdreven streng ben. Kan men het een moeder verwijten dat ze vooral opgelucht is om het overleven van haar kind, en eventjes niet denkt aan het leed veroorzaakt bij een groep gorilla’s? Zou ik niet een beetje meer empathie aan de dag kunnen leggen aub? Bewijs ik nu niet wat de moeder terecht aankaart: dat mensen altijd (te) snel zijn met hun veroordelingen? Ik  hoop van niet, uiteraard. Ik zal zeker niet de petitie tekenen, en mijn oordeel is van een andere aard dan diegene waartegen de moeder zich verdedigt. Toevallig ging er de afgelopen dagen nog een andere digitale brief van een moeder viraal, een brief waarin ze een andere anonieme moeder bedankt omdat die haar kleuter terecht wees op een moment dat zij niet goed oplette.  Ze schrijft: “Als mijn kind zich als een eikel gedraagt en ik om een of andere reden niet in de buurt ben, heb je mijn toestemming om te zeggen dat het genoeg geweest is. Ik zeg niet dat je het recht hebt om hem fysiek aan te pakken of echt te schreeuwen (enkel ik mag dat), maar voel je vrij om te zeggen dat hij zijn beurt moet afwachten.” Ze voegt eraan toe dat het moeilijk is om een kind alleen op te voeden, en dat we als volwassenen elkaar daarbij moeten helpen. Dat haar blogpost zo vaak gedeeld wordt, toont dat velen het met haar eens zijn. Maar is wat de vrouw schrijft niet evenzeer van toepassing op volwassenen onderling? Als mijn volwassen kind zich als een eikel gedraagt, hoop ik ook dat iemand hem zal zeggen dat het genoeg is geweest. Uiteraard zonder fysiek of psychisch geweld te gebruiken, maar gewoon door redelijk uit te leggen waar hij tekort schiet. Morele opvoeding duurt een leven lang – en ook daar moeten we elkaar als volwassenen bij helpen. Net omdat we er ons bewust van moeten zijn dat onze morele posities in het leven inwisselbaar zijn, dat ieder van ons zowel de oorzaak als het slachtoffer van ‘accidents’ kan zijn, en dat we vanuit die kwetsbare positie mee vorm geven aan elkaars morele blik.


vrijdag 22 april 2016

Ethiek van de voortplanting



Er verschijnt de laatste tijd meer en meer interessant werk in de ethiek van de voortplanting. Daniel Friedrich kreeg van The Journal of Applied Philosophy  de prijs van beste artikel van het jaar 2013 voor zijn artikel ‘A duty to adopt?’, Christine Overall oogstte grote belangstelling met haar boek  Why Have Children?: The Ethical Debate, recent verscheen een bundel Permissible Progeny? The Morality of Procreation and Parenting. De moraliteit van ouderschap en voortplanting –  waarover gaat dit eigenlijk? Zoals zal blijken is De Dag van de Aarde best een goed moment om hier enkele gedachten aan te wijden.

Lees verder op:
https://bijnaderinzien.org/2016/04/22/ethiek-van-de-voortplanting/